Hagietomamofilie duidt op een uitgesproken fascinatie, soms met een erotische inslag, voor mensen die als heilig worden beschouwd. De term komt voor op lijsten met zeldzame parafilieën, maar heeft geen eigen vermelding in een officiële klinische classificatie. Wat houdt het precies in en hoe verhoudt het zich tot de huidige diagnostische kaders?
Parafilie, parafiele stoornis en hagietomamofilie: klinische verschillen
Het woord bestaat uit drie Griekse wortels: hagios (heilig), tomame (waanzin, passie) en philia (aantrekking). Het verwijst naar een intense seksuele of emotionele aantrekking tot figuren die als heilig worden gezien, of ze nu heilig zijn verklaard, zalig zijn verklaard of simpelweg een aura van heiligheid om zich heen hebben.
De huidige psychiatrische classificaties vermelden hagietomamofilie niet als een zelfstandige categorie. Om hagietomamofilie te begrijpen, moet je de term plaatsen binnen het bredere kader van parafilieën, oftewel atypische seksuele interesses.
Een atypische interesse is niet automatisch een stoornis. Het onderscheid dat de DSM-5-TR introduceert en de ICD-11 overneemt, maakt verschil tussen een parafilie (interesse) en een parafiele stoornis (klinisch significante lijdensdruk, beperkingen in het functioneren of risico voor anderen). Een fantasie rond heilige figuren leidt dus alleen tot een diagnose als aan aanvullende criteria wordt voldaan.
| Criterium | Parafilie (interesse) | Parafiele stoornis |
|---|---|---|
| Aard | Atypische seksuele aantrekking | Atypische seksuele aantrekking + lijdensdruk of schade |
| Lijdensdruk | Afwezig of uitsluitend het gevolg van sociale stigmatisering | Intrinsieke lijdensdruk, niet te herleiden tot sociale afwijzing |
| Functioneren | Intact | Beperkt (sociaal, professioneel, relationeel leven) |
| Risico voor anderen | Afwezig | Mogelijk (afhankelijk van de betreffende parafilie) |
De ICD-11 verduidelijkt dat lijdensdruk die uitsluitend voortkomt uit sociale afwijzing niet volstaat voor een diagnose. Dit is een belangrijk punt bij hagietomamofilie: schaamte tegenover een religieuze omgeving is op zichzelf geen klinische aanwijzing.

Historische wortels van de verering van heiligen en de verschuiving naar fascinatie
De fascinatie voor heiligen is niet ontstaan in een seksuologische spreekkamer. Ze vindt haar oorsprong in eeuwenoude devotionele praktijken die de relatie tot het heilige een sterk lichamelijk karakter gaven.
De reliekverering, die al vanaf de vroege middeleeuwen is gedocumenteerd, was gebaseerd op het idee dat het lichaam van een heilige na de dood spirituele kracht behield. Mensen kusten beenderen, droegen stukjes stof op hun huid en sliepen in de buurt van graven. De pastorale strategie van figuren als Gregorius van Tours was er zelfs op gericht het heidense erfgoed christelijk in te bedden, door bestaande rituele handelingen op te nemen in een katholiek kader.
Deze tastbare en emotionele omgang met het lichaam van een heilige heeft door de eeuwen heen geleid tot een beeldrepertoire vol sensualiteit. Voorstellingen van mystieke extase, van Theresia van Ávila tot Maria Magdalena, spelen met de dubbelzinnigheid tussen spirituele vervoering en lichamelijke overgave, een thema dat in de kunstgeschiedenis uitvoerig is besproken.
- Fysiek contact met relieken (kussen, aanraken, op het lichaam dragen) maakte een intieme omgang met het heilige vanzelfsprekend.
- De beeldtaal van mystieke extase vermengde bewust het spirituele en het sensuele.
- Bedevaarten creëerden ruimtes waarin collectieve emoties de verbondenheid met heilige figuren versterkten.
De grens tussen intense devotie en erotisch getinte fascinatie is nooit waterdicht geweest. Ook kerkelijke autoriteiten probeerden regelmatig uitwassen die als buitensporig werden beschouwd in goede banen te leiden. Dat bewijst dat deze verschuiving al bestond voordat er een neologisme voor werd bedacht.
ICD-11 en DSM-5-TR: twee referentiekaders, twee benaderingen
Een artikel over zeldzame parafilieën kan de ICD-11 en de DSM-5-TR niet als synoniemen behandelen. De twee systemen delen de categorieën van parafiele stoornissen op basis van verschillende uitgangspunten. Dat heeft directe gevolgen voor de manier waarop een verschijnsel als hagietomamofilie zou kunnen worden beoordeeld.
De DSM-5-TR, uitgegeven door de American Psychiatric Association, handhaaft specifieke categorieën (fetisjisme, voyeurisme enzovoort) en een restcategorie voor niet-vermelde parafilieën. Hagietomamofilie zou onder deze restcategorie vallen, wat betekent dat er geen eigen diagnostische criteria voor bestaan.
De ICD-11 van de WHO hanteert een meer dimensionele benadering. Deze maakt onderscheid tussen parafiele stoornissen waarbij niet-instemmende personen betrokken zijn en stoornissen die gericht zijn op voorwerpen of situaties. De nadruk ligt op de schade, niet op de aard van de interesse zelf.
Beide kaders zijn het op één punt eens: de aanwezigheid van een atypische seksuele interesse op zich rechtvaardigt geen klinische interventie. Om van een stoornis te spreken, moet er sprake zijn van aantoonbare lijdensdruk of een concreet risico. Omdat hagietomamofilie zo’n marginale parafilie is, is de kans klein dat er specifiek klinisch onderzoek naar wordt gedaan.

Hagietomamofilie en stigmatisering: de valkuil van een overhaaste diagnose
Het grootste risico van deze term ligt niet in de klinische praktijk, maar in het alledaagse gebruik ervan. Lijsten met ‘vreemde’ parafilieën doen online volop de ronde, vaak op sensationele toon. Hagietomamofilie staat daarop naast tientallen andere termen, zonder context of nuance.
Deze zichtbaarheid heeft twee gevolgen. Ten eerste zet ze sommige mensen ertoe aan zichzelf een stoornis toe te schrijven terwijl daar geen sprake van is. Ten tweede versterkt ze de verwarring tussen sociale afwijking en pathologie, terwijl morele afkeuring van een interesse op zichzelf geen psychische stoornis maakt.
- Zelfdiagnose op basis van online lijsten gaat voorbij aan het onderscheid tussen parafilie en parafiele stoornis.
- Religieuze stigmatisering vergroot de lijdensdruk, zonder dat die inherent is aan het verschijnsel.
- Door het gebrek aan klinisch onderzoek naar hagietomamofilie zijn stellige uitspraken voorbarig.
Het kader van de ICD-11 biedt een bruikbaardere manier om het verschijnsel te begrijpen dan de term zelf. In plaats van een aantrekking met een Grieks neologisme te labelen, kan een klinische beoordeling zich beter richten op de vraag of er sprake is van daadwerkelijke lijdensdruk en op het algemene functioneren van de betrokkene. Het woord bestaat, maar de diagnostische categorie moet nog worden uitgewerkt.



